Na een rustige nacht aan de kade van Olbia doorgebracht te hebben (de wind zette gelukkig niet door), vertrekken we de volgende dag, donderdag 28 mei 2009, om 9.00 uur. We hebben er inderdaad gratis gelegen, omdat we niemand hebben gezien aan wie we konden betalen.
Nadat we de lange vaargeul uit zijn gevaren (ongeveer een half uur op de motor), varen we de eerste drie uur tussen wat eilanden door naar open zee. De wind komt schuin van achteren en daarom besluit Erik om de Gennaker, een zeil dat we nog niet eerder hebben geprobeerd, op te zetten. Het is even puzzelen, maar het lukt Erik om het zeil erop te krijgen. Door de spinakerboom te gebruiken blijft de Gennaker goed wind vangen en halen we een snelheid van 5 à 6 knopen bij een wind van ca. 14 knopen. Om ca. half drie neemt de wind toe tot 22 knopen en halen we de Gennaker weer binnen om vervolgens op de fok verder te varen. In de gids ‘Pagine Azzurre’ die we van Alessandro hebben gekregen, staat ter hoogte van het plaatsje Dorgali, een haven aangegeven, genaamd Cala Ganone. We willen proberen daar een plaats voor de nacht te vinden. Om ca. half vijf nemen we contact op met deze haven, waar de havenmeester ons in gebroken Engels vertelt dat er in de haven zelf geen plek is (te klein), maar dat ankeren wel mogelijk zou zijn. Wij kijken met de verrekijker of er ankermogelijkheden zijn, maar op de enige plek dat dat mogelijk is, liggen al motorboten. Doorvaren dus. Het wordt dan even afzien omdat we tegen de wind met twee soorten golven die tegen elkaar ingaan, moeten opboksen. Na ronding van Capo di Monte Santu wordt het gelukkig weer beter te doen en stomen we op de motor door naar de haven van Santa Maria Navarrese. Via de marifoon, kanaal 74, neemt Frederiek contact op met de haven (Marina di Braunei/Santa Maria Navarres) en er blijkt genoeg plek te zijn. De havenmeester staat al op de steiger om onze plek toe te wijzen en te helpen bij het aanmeren (met punt naar steiger toe, landvasten voor op de bolders, haallijn op de bolder achter). Meteen komt een Engelse op ons af met de vraag: ‘Did you have a bumpy ride?’ Zij had het namelijk nogal zien waaien en durfde de haven niet uit. We gaan meteen naar het havenkantoor (ufficio/direzione) en worden daar uitgebreid ontvangen door een Sardijn die zijn talen uitstekend spreekt (Duits, Engels, Frans) en heel behulpzaam is. Na een dag varen en 65 mijl afgelegd te hebben, zijn we aangekomen in een prettige, goedkope, relatief nieuwe en beschermd liggende haven (ingesloten door een hoge rots en stevig gelegde muur van rotsblokken) met goede faciliteiten (o.a. een wasmachine). Hier blijven we dan ook een aantal nachten.zondag 31 mei 2009
Oostkust Sardinië: Olbia
Op woensdag 27 mei 2009 staat er nog steeds vrij veel wind, maar is het goed vertoeven in de baai van Olbia waar wij voor anker liggen. Erik pakt het teakproject in de kuip weer op. Hij had in Porto Pollo het teak in de kuip gekit, wat nu goed gehard is en daarom geschuurd kan worden. Nadat Erik het grove werk met de excentrische schuurmachine heeft gedaan, helpt Fre ook mee met het schuurwerk dat met de hand gedaan moet worden. Door de wind kan het schuursel makkelijk wegwaaien en in de baai zijn we verder niemand tot last. Na een dag hard werken (ik heb grote bewondering voor Erik zijn doorzettingsvermogen!), is het resultaat ernaar: de kuip ziet er uit als nieuw!
Het is inmiddels einde van de middag geworden en we willen na de onrustige nacht die we gehad hebben, liever in een haven liggen. We varen naar het op 4 mijl gelegen stadje Olbia. Eerder die middag hadden we in de baai bezoek gehad van een andere zeilboot, die daar even kwam relaxen. Op het moment dat we de lange vaargeul invaren, die naar Olbia leidt, zien we deze boot weer. Aangezien Olbia meerdere havens kent en we niet goed weten waar we moeten zijn, besluiten we bij een splitsing van de vaargeul de andere boot te volgen, ook omdat we zien dat die naar een haven vaart waar het wat dieper is. Eenmaal in die haven, gebaart de man op de boot dat we wel naast hem kunnen gaan liggen, maar dat hij niet weet of we kunnen blijven omdat het een privéhaven is. We raken in gesprek met ‘AJessandro’ onder het genot van een Sardijns biertje dat hij aanbiedt. Hij blijkt het grootste deel van het jaar op zijn boot te wonen. Even later komt er een opgewonden mannetje aanlopen die geen Engels praat, maar tegen onze vriendelijke buurman zegt dat we echt niet kunnen blijven. Alessandro probeert de man nog om te praten, maar hij houdt voet bij stuk. Omdat onze buurman zich daarover nogal vervelend voelt, komt hij met het alternatief om aan de kade van Olbia te gaan liggen. Daar zijn geen voorzieningen, maar je zou er hooguit vijf euro hoeven te betalen en als je vroeg vertrekt zou je niets hoeven te betalen. Dat noemen ze hier ‘the Italian way’. Ook krijgen we van hem een gids met alle havens van Italië erin. Omdat de gids van twee jaar terug is en hij zelf een nieuwe heeft, krijgen we deze cadeau. Superaardig van hem!
Aan de kade van Olbia blijken inderdaad nog meer passantenboten te liggen. Fre hangt snel alle stootwillen aan één kant en Erik stuurt met een flinke aanlandige wind op de kant af. Frederiek is gelukkig lang en kan met een grote stap op de kade klimmen om de boot aan de landvast voor naar een hele grote bolder te trekken. Erik houdt de boot af en kan de lijn achter door een grote ring halen en jawel hoor we liggen! Terwijl Fre foto’s maakt van deze geslaagde operatie, komt in een Fiat Panda iemand aanrijden. Het blijkt Alessandro te zijn, die even komt kijken of het allemaal gelukt is. Ook vertelt hij dat hij verwacht dat de Mistral die de afgelopen twee dagen is gaan waaien, nog wel even aanhoudt (3 tot 7 dagen). Aangezien Alessandro de volgende ochtend vroeg op moet om een vlucht te maken (hij is piloot), nemen we afscheid van hem en wisselen we gegevens uit. Alessandro: ‘grazie, grazie, grazie!’.
Vanaf de kade loop je rechtstreeks de stad in. Olbia lijkt te bestaan uit een hoofdstraat en wat zijstraten met restaurantjes en wat winkeltjes. In één van deze restaurants eten we een echte pizza gebakken in een houtgestookte oven met salade: goed, niet duur, aardige bediening. Kortom een prima afsluiting van de dag.Oversteek van Corsica naar Sardinië
De twee nachten in Bonifacio hebben ons goed gedaan. We hebben rustig gelegen, voor niet veel geld en in een leuk stadje. Ook hebben we eraan kunnen wennen dat we Corsica, dat we nu redelijk kennen qua topografie en ons goed is bevallen, gaan verlaten en hebben we ons georiënteerd op de kustlijn van Sardinië.
We zijn er dinsdag 26 mei 2009 dan ook helemaal klaar voor om verder te reizen. ’s Ochtends raken we nog in gesprek met onze Engelse buren. Zij hebben ook de westkust van Corsica gedaan, maar vonden de baai van Figari en het dorpje Pianottoli zo deprimerend dat ze rechtsom zijn gekeerd. Met name twee gestrande zeilboten vonden ze geen prettig aangezicht plus dat ze het er te rustig vonden (alleen natuur, niets te doen), terwijl wij de rust en natuur juist zo konden waarderen. Zo zie je maar weer ieder zijn eigen beleving heeft! Wellicht komen we ze later weer eens tegen, want zij zijn ook op weg naar Griekenland, maar wachten op dit moment op een nieuwe unit voor de stuurautomaat die ze in Ajaccio hebben besteld.
De grote vraag is: ‘Pakken we de westkust of oostkust van Sardinië’? Zelfs als we wegvaren om ca. 11.30 uur weten we het nog niet zeker, want we hebben besloten om het af te laten hangen van de wind. De afgelopen week hebben we namelijk redelijk vaak tegen de heersende wind in moeten varen (voor zover er wind was) en dat is natuurlijk niet de bedoeling van zeilen. Eenmaal op het water stuurt de wind ons oostwaarts op. Dit in combinatie met dat we weten dat de eilandengroep ‘La Maddelena’, erg mooi is, hebben we een goed gevoel over onze keuze. Het is inderdaad prachtig zeilen tussen deze eilanden (nationaal park) en we zien zelfs weer dolfijnen! Voor het eerst staat er een lekkere wind zodat we halve wind en later aan de wind kunnen varen. Het gaat zo lekker en het is zulk prachtig zeilweer (uiteraard weer een heerlijk zonnetje en lekkere temperatuur), dat we al snel voorbij de als duur bekende Costa Smeralda schieten, waar Aga Khan in heeft geïnvesteerd (met havenprijzen van 125 euro in bijvoorbeeld Porto Cervo!). We varen door en komen om circa 18.30 uur aan in de baai van Olbia. Er is welgeteld één ankerplek in de buurt van wat vakantievilla’s en twee strandjes, en we laten ons anker daar vallen. Op het moment dat we willen gaan slapen neemt de wind meer en meer toe, zodanig dat we om 1.00 uur ’s nachts het tweede anker uitgooien. Na een onrustige nacht, blijkt dat we in ieder geval niet zijn gaan krabben (= dat het anker niet goed pakt) en nog steeds op een diepte van 5,6 meter liggen, wat ruim genoeg is (onze boot steekt 1.95 meter diep).maandag 25 mei 2009
Westkust van Corsica
De baai van Calvi is een perfecte plek om uit te rusten van de nachtelijke overtocht. Zondag 17 mei 2009, spoelen we na het ontbijt de brakheid van ons af door een duik te nemen in het water. We treffen het overigens met het weer: tot nu toe hebben we maar twee regenachtige dagen gehad (in Port Saint Louis en in Nice). De temperatuur overdag is aangenaam, warm tot zeer warm en het zeewater is warmer dan aan de Cote d’Azur (waar Frederiek bij Ile de Porquerolles een eerste zwemactie ondernomen had). Vanuit de kuip laten we de omgeving op ons inwerken: uitzicht op besneeuwde bergtoppen, groene, rotsachtige heuvels, strand met naaldbomen in karakteristieke vormen, de citadel van Calvi en het stadje (huizen die stijl oplopen en een kerkje) met de haven en promenade ervoor. Bij aflandige wind ruiken we de marquis waar Corsica bekend om staat (struikgewas dat een bepaalde bloemige geur verspreidt en waar wij soms van moeten niezen). Wat ons opvalt, is dat het veel rustiger is in Corsica (zowel op het water als aan wal), dan in Frankrijk, waar veel meer Fransen het water opzoeken. In de baai van Calvi liggen we met vijf andere boten op ruime afstand van elkaar. We komen tot nu toe geen andere Nederlandse boten tegen. Veel boten varen onder de vlag van Guernsey (dus niet de Engelse zoals eerder vermeld). Als we binnen gehoorsafstand van deze boten komen, horen we uiteenlopende talen van Italiaans tot Duits. Erik denkt dat het misschien te maken heeft met een belastingtruc. Ook vangen we uiteenlopende talen op vanuit gehuurde boten, die de Franse vlag voeren. Een enkele keer komen we Scandinaviërs tegen.
Maandag 18 mei 2009 gaan we Calvi verkennen. In Nice hebben we een nieuwe breekpen voor de buitenboordmotor gekocht (en één reserve) en we hebben nu de luxe om met de dinghy (bijboot) op de motor naar de wal te varen. Dat is prettig, omdat het strand en het aangrenzende water is afgebakend door betonning, waar wij achter liggen en we daarom wat verder van de kust afliggen. In het begin vond ik het een raar idee om de bijboot dan zomaar ergens achter te laten (je kunt ‘m namelijk niet echt vastbinden en op slot zetten zoals een fiets). Maar aangezien iedereen dit zo doet en het schijnbaar meestal goed gaat, heb ik er ook geen moeite meer mee (waarschijnlijk zat 20 jaar Amsterdam nog in mijn systeem). Wel doen we een speciaal slot op de motor zelf en halen we het ontstekingsmechanisme eruit (je moet het ook niet te makkelijk maken voor kwaadwillenden).
Calvi blijkt een leuk plaatsje te zijn. Weliswaar ingesteld op toeristen, maar kleinschalig en in deze periode is het er nog niet druk. We drinken een kop koffie, slenteren door de straatjes van de citadel en hebben mooi uitzicht op de baai waar we onze boot zien liggen. Op de terugweg zien we een hele grote supermarkt, die ook nog eens op loopafstand van de bijboot ligt (de bijboot ligt in de buurt van een verhuurder van waterbootjes). Erik koopt in deze Makro-achtige supermarkt een zwembril, snorkel en zwemvliezen, omdat het handig kan zijn om af en toe eens onder de boot te kijken of alles nog in orde is (later haalt hij inderdaad een stukje vissersnet uit de schroef). Verder kopen we flessen drinkwater. Het water in de tanks aan boord drinken we liever niet, omdat we enerzijds het water niet vertrouwen en er anderzijds mogelijk bacterievorming in de watertanks kan ontstaan. Overigens hebben we, met 200 liter in de tank voor in de boot en 220 liter water achterin, meer dan genoeg water voor een ongeveer een week achtereen.
Dinsdag 19 mei 2009 vinden we het tijd om verder te varen langs te westkust. We hadden gehoopt bij het tankstation in de haven van Calvi nog water te tanken, maar dat is tot woede van Erik niet mogelijk. Met een zeer zwakke wind uit het westen, zijn we gedwongen om te zeilen op de motor, om nog enigszins vooruit te komen. Om 13.00 uur ’s middags is er iets meer wind en zetten we de motor uit: wat een rust en een mooie kustlijn! Op grootzeil en Genua zeilen we langs de baai van Girolata, een beschermd natuurgebied, dat groen en rotsachtig is en op de achtergrond zien we nog steeds de besneeuwde toppen. Bij het ronden van Cap Rossu moeten we om 15.00 uur toch weer de motor aanzetten. We willen naar de Golfe de Sagone en kunnen gelukkig wel weer op zeil deze baai invaren. Het valt ons op dat zodra we een baai invaren, we weer wat meer wind hebben. Aangezien er geen wind op zee is, hebben we in de baaien nauwelijks met deining (golven) te maken, wat natuurlijk een prettige bijkomstigheid is.
In de gids ‘Plans pratiques des ports’ (met allerlei informatie over de Franse en Corsicaanse havens in de Mediterranee en gratis verkrijgbaar bij de meeste capitaineries) had Frederiek gezien dat er in de baai van Sagone een haventje was en ankermogelijkheden. De haven bij Cargese trok ons niet erg aan en leek ons te ondiep, dus besloten we verderop in de baai voor anker te gaan bij het plaatsje Sagone. Er lagen wat boeien, waar je aan kon meren, maar die leken meer voor lokale boten bestemd te zijn. Een paar andere boten en wij ook, hadden het
anker uitgegooid, wat prima ging omdat het een zanderige grond was. Met de bijboot gingen we meteen naar de wal om een wandeling door het dorp en over het strand te maken. We meerden met de bijboot aan bij de ‘haven’ van Sagone, wat niet echt een haven is, maar meer een soort werkplaats. Daar bevonden zich wel een paar restaurantjes, die er aardig uitzagen, maar niet echt goedkoop waren. Het dorp bestond uit één brede weg met aan beide kanten lege winkels en pizza-achtige tenten die merendeels leeg waren, omdat er nu nauwelijks toeristen zijn.
Over het strand wandelden we weer terug naar de bijboot en speelden we nog even met een 2,5 maand jonge puppy. In de avondzon aten we in de kuip onze zelfgemaakte burrito´s en vonden het leven goed zo!
Het kan ook wel eens minder goed uitpakken. Woensdag 20 mei 2009 voeren we rond 11.30 uur weg uit Sagone op grootzeil en Genua (in de baai eindelijk wat meer wind waardoor we een snelheid van 8 knopen haalden, later helaas weer minder wind) richting Ajaccio, waar we om ca. 18.00 uur aankwamen. Ajaccio heeft twee havens, namelijk Tino Rossi (dit blijkt een acteur te zijn) en Charles Ornano. Aangezien Tino Rossi het dichtst bij het centrum ligt, kozen we daarvoor. Via de marifoon kregen we contact met de havenmeester die ons een steiger en boxnummer toewees. Dit bleek een plek te zijn die vlak bij een tankstation lag en bij de kade, waar ook diverse pubs zaten. Ondanks dat we dit keer konden aanmeren aan een steiger, ging het niet vloeiend. Er was weinig ruimte om in te draaien met de boot. Een man wilde ons helpen door de lijnen aan te nemen (aardig natuurlijk), maar liep eigenlijk in de weg (het was een hele smalle steiger langszij). Frederiek kon er niet tijdig van afspringen om de boot voor bij de boeg tegen te houden. Een lichte ‘touchdown’ van de boeg tegen de steiger voor was het gevolg, maar gelukkig geen schade. Het bleek ook nog eens de duurste haven te zijn die we tot nu toe hebben meegemaakt (36 euro). In de gids stond dat er wifi zou zijn, maar dat bleek ook niet te kloppen, dus geen internet tot onze beschikking! Dan maar de stad in: deze was lawaaierig, vol met auto’s en de musea (Bonaparte huis en Fesch museum) waren al dicht. Nadat we terug op de boot een borrel hadden genomen om van dit alles bij te komen, zijn we uit eten gegaan bij een tentje dat Frederiek eerder gespot had (Il Paveraggo of iets dergelijks: als je met met je gezicht naar het office de tourisme toe staat en je de straat verder naar rechts volgt, is het ongeveer het derde restaurant dat je tegen komt). Dit bleek een goede keuze te zijn, want we hebben echt heerlijk gegeten (Erik zelfgemaakte ravioli en Frederiek een vis genaamd ‘loup’ met een heerlijke risotto en gegrilde groenten). Dit etentje heeft eigenlijk ons bezoek aan Ajaccio weer een beetje goed gemaakt, want zoals we al verwachtten, hebben we slecht kunnen slapen a.g.v. luide muziek uit de pubs en geklots van golven tegen de steiger.
Donderdag 21 mei 2009 verlaten we tussen de middag het warme Ajaccio. Aanvankelijk dachten we nog de trein naar het bergdorpje Corte te nemen, maar dat was qua treintijden niet handig (ook omdat het Hemelvaartsdag was). We zijn er niet rouwig om, omdat er een lekker windje staat en we met 6 knopen snelheid de baai van Ajaccio kunnen uitstuiven. We dachten dat we de boot op de automatische stuurpiloot hadden gezet, maar dat bleek niet het geval te zijn: de boot bleek zichzelf al 10 minuten te sturen. Dat klinkt griezelig, maar het betekent juist dat de boot super in balans is (de mast en zeilvoering zijn goed afgesteld, dankzij Erik)! Om 14.30 uur is de wind helaas weer weg. We zijn op weg naar de volgende baai in het zuidwesten van Corsica, namelijk de baai van Valinco. Fre heeft namelijk in een oude Marco Polo reisgids gelezen dat het bij Porto Pollo rustig en mooi is. Bij het invaren van deze baai, zien we een groep dolfijnen. Ze zijn niet heel dicht bij de boot, maar we kunnen ze met het oog heel goed onderscheiden en met de verrekijker nog beter. Het blijft toch iets bijzonders, deze mooie dieren! Bij het naderen van Porto Pollo moet je ruim om een stel uit het water stekende rotsen varen. Porto Pollo kent een klein haventje (te klein om in de eerder vermelde gids te staan). We kunnen (gratis) aanmeren aan één van de boeien die her en der in het water liggen. Daar moet je dan een landvast doorheen halen die je op de bolders voor vastzet. Gezien de rotsachtige bodem, is dit ook geen plek om een anker uit te gooien. Porto Pollo blijkt te bestaan uit een smalle strandstrook in het groen met wat onopvallende huisjes en hotels voor toeristen, die er echter niet of nauwelijks zijn. Ook bevindt zich een super marché aan het strand, dus perfect om met de bijboot even wat boodschappen te gaan doen. Het bevalt ons daar zo goed (rust, vogels die fluiten, geur van marquis, water om in te plonzen), dat we besluiten er de volgende dag (het is dan over de 30 graden Celsius) ook te blijven. Helaas slapen we de tweede nacht een stuk minder lekker, want we hebben nu wel last van deining. Het is trouwens aardig om in Porto Pollo rond te lopen; het heeft een verzorgdere uitstraling dan Sagone. We komen erachter dat er een hotel is (Eucaliptus) met een tennisbaan die voor iedereen te huur is. Verder is er een koffietentje (Les Oliviers), waar je van internet gebruik kunt maken. Wij komen er helaas te laat achter, maar hopelijk heeft degene die dit leest hier ooit nog eens baat bij!
Zaterdag 23 mei 2009 zetten we onze tocht langs de Corsicaanse westkust, zuidwaarts voort. Omdat we aan Ajaccio enige ‘stadvrees’ hebben overgehouden, willen we het liefst weer in een baai voor anker gaan. Een baai bij Cala de Tizzano ziet er veelbelovend uit, maar met de verrekijker ziet het er toch wat apart uit (alleen wat motorboten aan een moringlijn liggen). De volgende baai ziet er nog idyllischer uit, namelijk golfe de Roccapina. We varen deze baai zelfs in, maar het blijkt te rotsachtig en te ondiep te zijn. We varen daarom door naar een baai met een havenplaatsje dat ook in de gids ‘Plan pratiques des ports’ staat, genaamd Port de Pianottoli-Caldarello in de Baie de Figari. We hebben de pech dat op dit stuk de wind pal tegen staat, dus moeten op de motor er flink doorheen beuken. Bij het aanvaren van de baai van Figari moet je goed opletten op rotsen die her en der uit het water steken, deels gemarkeerd, maar niet altijd. Erik zag een ondiepte die zelfs niet op de kaart stond. De baai zelf is enorm lang, de haven ligt helemaal aan het einde van den baai, aan het begin van een riviermonding. Het is mogelijk om aan te meren in het kleine haventje, maar gezien de harde wind die er staat, kiezen wij ervoor om voor anker te gaan voor de steigers, zoals ook drie andere boten hebben gedaan. We moeten goed letten op de diepteverschillen, maar uiteindelijk liggen we perfect en hebben we een heerlijk rustige nacht zonder deining. De natuur is prachtig en blijkt onderdeel uit te maken van een beschermd gebied. We gaan met de bijboot naar de steiger en maken een avondwandeling naar een strandje waar wij de enigen zijn. Pas na 19.00 uur begint het wat minder warm te worden (overdag hebben we met tropische temperaturen te maken).
De volgende dag vertrekken we (na van het thuisfront gehoord te hebben dat het in Nederland ook erg warm is), richting Bonifacio. We kunnen de gehele 12 mijl op zeil varen (ca. windkracht 4 à5 Beaufort) en op het water is het heerlijk (koel) vertoeven. Het aanvaren van Bonifacio overtreft onze verwachtingen. De citadel ligt namelijk hoog boven op krijtrotsen en in de krijtrotsen lijken allerlei kloven te zitten waar we zelfs een boot zien invaren. Om bij de haven te komen, moeten we naar het einde van de nauwe inham varen. Frederiek krijgt geen contact met de capitainerie, dus we besluiten aan te meren aan een steiger waar andere passantenboten liggen. Later blijkt dat de capitainerie in het weekend, ’s middags pas vanaf 16.00 uur open gaat. Evenals bij Ajaccio liggen we in de buurt van een promenade met eettentjes, maar de sfeer is veel prettiger en het is er veel rustiger. Omdat de zon erg warm is, spannen we op dit soort momenten het zonnezeil over de giek, waardoor het draaglijk is om in de kuip te zitten.
In de namiddag maken we een wandeling naar de citadel, een steile klim, maar we worden beloond met een prachtig uitzicht op de krijtrotsen aan de ene kant en de haven aan de andere kant.
Bonifacio is op onze heenreis naar Griekenland onze laatste stop in Corsica. Op de terugweg zullen we waarschijnlijk de oostkust van Corsica aandoen. Nu gaan we ons opmaken voor het verkennen van het volgende eiland, namelijk Sardinië.vrijdag 22 mei 2009
Overtocht Nice-Calvi (Corsica)
We blikken terug op een zeer plezierige midweek in Nice. Zowel de haven als de stad is ons zeer goed bevallen. Donderdag 14 mei 2009 zijn we de flux gaan ophalen in Antibes. De busrit ernaar toe was memorabel. Voor maar liefst het bedrag van € 1,- konden we ernaar toe. Het was dan ook niet verwonderlijk dat de bus propvol zat. Aangezien wij bij het busstation in Nice (gare routière) waren ingestapt, hadden wij een zitplaats, maar veel mensen moesten staan. De buschauffeur was in een slecht humeur, wat met name bleek toen een vrouw bij het vliegveld van Nice eruit wilde, maar hij de deuren niet open deed. Het gejammer van de vrouw dat zij haar vliegtuig ging missen, klinkt nog na in onze oren (waarschijnlijk had de vrouw een verkeerde bus genomen, omdat deze bus alleen stopte bij de aankomsthal). Eenmaal in Antibes (na ca. 1,5 uur) moesten we ons haasten om voor 12.00 uur bij Ydra Marine te zijn. De Fransen sluiten namen hun deuren tussen de middag voor minstens twee uur. Gelukkig kwamen we op tijd en had Christophe de flux al klaarliggen. Na een kop koffie en wat inkopen op een markt, liepen we naar het treinstation voor een wat meer comfortabele terugrit. Inderdaad verliep de terugreis een stuk voorspoediger (ca. een half uur) en bleek de prijs evengoed zeer goed te doen (€ 3,90 per persoon).
De beleving van een land over de weg is heel anders dan vanaf het water. Vanaf de weg zie je meer het ware leven van de mensen en de minder mooie buurten. Vanaf het water leer je de (variatie in de) kustlijn van een land kennen en valt met name de natuur je op. De haven waar je met de boot ligt is meestal ook het hart van een dorpje of stadje en daarmee vaak een prettige plek om te vertoeven. Beide manieren van een land verkennen, heeft iets, maar wij vinden het verkennen van een land per boot wel heel relaxt.
Vrijdag 15 mei 2009 is nog een lekkere klusdag. Erik installeert de flux en vervangt de schakelaar van de douchepomp. Na/tijdens het douchen moesten we voorheen een knop ingedrukt houden om het water weg te kunnen laten lopen. Nu kunnen we met één trek aan de knop het water automatisch weg laten lopen, heerlijk! Het project van de teakreparatie in de kuip mislukt helaas gedeeltelijk. Erik heeft de onderkant wel kunnen egaliseren, maar het vastkitten is een vak apart. Erik heeft echter een alternatief plan, waardoor we toch gewoon op het teak in de kuip kunnen zitten. Frederiek doet wat huishoudelijke zaken en komt toe aan lekker lezen.
Het voordeel van het wat langer liggen in een haven is dat je makkelijker mensen leert kennen, dan wanneer je in een baai ligt. Zo hebben we in Nice onze buurman Franck leren kennen, een 80-jarige krasse man, waarmee we Engels praten. Hij is uiterst behulpzaam en komt met allerhande adviezen, variërend van bootadviezen tot waar je een goed restaurant kan vinden. Hij heeft ooit in het bankwezen gezeten en heeft filosofie, psychologie etc. gestudeerd (herkenning!). Op een dag komt hij met twee Pinguin pocketboekjes voor Frederiek aangezet van o.a. Evelyn Waugh. Het toeval wil dat Frederiek net in het boek ‘De zuilen van Hercules’ van Paul Theroux bezig is, die Evelyn Waugh aanhaalt als schrijver die over het Middellandse zeegebied geschreven heeft. Wat aardig en wat een verrassing! Franck heeft zijn huis verkocht en zal in juni met zijn 20 jaar jongere vrouw (die dan met pensioen gaat), een wereldreis voor onbepaalde tijd gaan maken (eigenlijk wil hij tot zijn dood blijven varen). Wij hebben hiervoor grote bewondering en hopen dat hij inderdaad de fysieke kracht heeft om op die manier de laatste jaren van zijn leven door te brengen.
Zaterdag 16 mei 2009 vertrekken we uit de haven van Nice, uitgezwaaid door Franck. Degene die vast ligt op de plaats waar wij nu liggen, komt terug en we willen het fluxkompas kalibreren. Dit kan alleen als we in rustig vaarwater rondjes kunnen draaien. We denken dat de nabij gelegen en ons inmiddels bekende baai van Villefranche daarvoor heel geschikt is. Dat valt een beetje tegen omdat er een heel groot Noors passagierschip voor anker ligt, die met sloepjesvoordurend heen en weer vaart, om mensen naar de wal te brengen. Evengoed lukt het om een deviatie (invloed van de boot op het magnetisch kompas) van ongeveer 7 graden te corrigeren.
We waren aanvankelijk van plan om nog een nachtje in de baai van Villefranche te blijven liggen en dan de oversteek naar Corsica te maken, maar Erik krijgt het lumineuze idee om maar direct weg te gaan. Waarom niet, het weer zal namelijk nog dagen min of meer hetzelfde blijven (stabiel, zonnig, weinig wind). Zo gezegd, zo gedaan, varen we om 12.00 uur de baai uit: op naar Corsica! De overtocht naar Calvi aan de noordoostkust van Corsica verloopt rustig en voorspoedig. Er zijn nauwelijks andere schepen op het water te bekennen. Wel zien we op ruime afstand van ons de veerpont van Nice naar Corsica en Sardinië voorbijgaan. Verder zien we onderweg heel veel